Voetbal toen en nu, deel 1
Voor U als trouwe bezoeker van FortunaHome: Voetbal toen en nu, deel I
Op weg naar Osnabrück voor het nu al legendarische duel tegen PC Porto, de enige keer dat de Portugezen het dit jaar echt moeilijk hadden, beloofde ik in een euforische en licht aangeschoten bui om mijn ervaringen als trouwe Fortuna (Sittardia) volger op papier te zetten. Belofte maakt schuld. Ik werd daar telkens aan herinnerd als ik webbie Linford tegen het lijf liep. "Ha schrijver, waar blijft je eerste bijdrage", zei hij iedere keer plagend. Telkens verzon ik een andere smoes, om het graven in mijn voetbal verleden uit te stellen. Nu, na dit voor ons zo teleurstellend verlopen seizoen, heb ik eindelijk de rust gevonden om mijn memories op papier te zetten. Voorlopig even geen zorgen over weer een nakende nederlaag. Even een paar weken de toorn van mijn collega's niet meer over me heen laten komen, nu we over twee weken een gezamenlijk doel nastreven, namelijk de Europese titel. Verwacht geen heldendaden in mijn epos. Indien je op zoek bent naar echt stoere verhalen sorry die kom je in deze serie net tegen. Ik ga terug in mijn gedachten, hoe het toen was en nu is. Laat het desnoods je pa of ma lezen die heeft de periode vanaf pakweg 1960 ook meegemaakt.
De vijftiger en zestiger jaren.
Mijn eerste gedachten gaan terug naar het einde van de jaren vijftig. In ben geboren in Sittard enkele maanden na de verschrikkelijke watersnoodramp van 1953. Als geboren Sittardenaar werd het geel-blauw van Sittardia (ontsproten uit een fusie tussen de Sittardse Boys en de VVS) me door mijn vader met de paplepel ingegoten. Als kind had ik toen al, zo bleek later, een aangeboren aversie (dat woord bestond toen nog niet) tegen provinciale teams die beter waren dan mijn club. Gelukkig waren er dat aanvankelijk niet zoveel. Alleen dat vermaledijde Fortuna stak ons telkens de loef af. Ik kon van kleins af die van Geleen niet zien of luchten. De Geleense formatie van weldoener Eugidius Joosten was een begrip in Nederland en dat zorgde voor de nodige afgunst. Fortuna 54 was immers de eerste club die de overstap naar professioneel voetbal maakt. Eind jaren 50 keek ik dan ook huizenhoog op tegen Fortuna. Wij van Sittardia (de plaats waar je geboren wordt heb je immers niet voor het uitzoeken) waren in de ogen van de 'Weareldsjtad bewoners' de boertjes die het meestal in de onderlinge confrontaties af moesten leggen tegen het kapitaal krachtige Fortuna. Dat zette al vroeg kwaad bloed bij mij. Toen al koos ik bewust voor de benendenhond (vrije vertaling voor Underdog) en weigerde ik te kiezen voor een club die wel succesvol was. Maar wat was nu voor mij zo speciaal aan het voetbal uit de jaren vijftig?
Voetbal eind jaren vijftig dat was: Altijd voetballen op zondag en niet op een koude maandagavond, rillerige donderdag of natte vrijdag. Nee lekker op zondag, de hele week keek je ernaar uit. Voetbal dat was ook op zondagmorgen naar de kerk. Op nuchtere maag, zonder eten en drinken. Alleen zo zou Christus tot je komen (wat hebben ze ons toch veel wijsgemaakt). Pastoor zwaaide in die tijd lustig en vrolijk met wierook en mirre om de Heer te eren. Gevolg was vaak dat oudere vrouwen vanwege de overdadige geur regelmatig van hun stokje gingen, wat weer tot de nodige hilariteit leidde. Zelf bad je tijdens de mis een extra Onze Vader en natuurlijk stak je een kaarsje aan in de hoop dat Jezus ons kluppie goed gezind zou zijn. Waarschijnlijk werd er in andere kerken harder gebeden en brandden er meer kaarsjes, want ook toen dolven wij regelmatig het onderspit. Voetbal was ook dat mijn pa na het kerkbezoek een potje ging kaarten in het naburige café Schulpen in de Helstraat. Voetbal was ook de geur van eigen gemaakte zondagse soep, die al vanaf zaterdag stond te trekken op het door kolen gestookte potkacheltje in onze knusse woning in diezelfde Helstraat.
Voetbal dat was ook als Sittardia uitspeelde je om half vijf richting Rijksweg trok om daar in het bijkantoor van de Limburger te wachtten tot de dienstdoende journalist de lijst met uitslagen in de etalage hing. Er was toen nog geen live radio, bij competitieduels. Voetbal dat waren ook de koempels van pap die, als er een derby op het spel stond tegen Limburgia, Roda Sport, Rapid JC, al ruim voor het duel bij ons thuis kwamen eten. De traditionele soep en daarna aardappelen met zelfgemaakt zoervleisj en uiteraard appelmoes gemaakt van appels uit eigen tuin, of in de winter erwtensoep met huidvleesj.
Als menneke van pakweg vijf jaar luisterde ik ademloos naar de verhalen van de noeste mijnwerkers, hun belevenissen ondergronds, hun stoere praat. Niet alles kon ik verstaan, sommigen hadden een raar accent. Pap die frequent met deze mannen optrok verstond ze wel. Mam en ik waren soms buitenstaanders in ons eigen huis. Leuke bijkomstigheid was dat ik van iedere koempel een dubbeltje kreeg voor in mijn spaarpot. Voetbal was ook het bezoek aan Yannick, een Poolse kameraad van pap die in de Gats te Sittard woonde. Ik ging daar iedere keer wedden om een (alweer) dubbeltje. Telkens gaf ik die geel-blauwe gewonnen. Yannick zette vaak in op een gelijkspel of nederlaag van Sittardia. Toen al kostte mijn kluppie me veel geld.
Ik zal vijf jaar zijn geweest toen ik voor het eerst mee mocht naar het stadion of wat er voor door mocht gaan. Aan de hand van pap over de Sittardse markt, via het steegje tussen de kerk en Schtad Zitterd naar het stadion in de Baandert. Niet dat wat een paar jaar geleden helaas gesloopt is, maar dat knusse optrekje in hartje Baandert op de plek waar nu een kerk staat. In mijn beleving was het best wel groot daar in dat stadion. Er stond zowaar een kleine overdekte zittribune, op die plek zaten de notabelen van Sittard. Voor de rest louter en alleen staantribunes. Grote betonnen platen. Aan de bovenkant een houten rugleuning, van veiligheid had men nog geen kaas gegeten in die tijd. Als klein menneke was je verzekerd van een plek voor de reclame borden. Je kon de spelers als het ware ruiken en aanraken.
De tribunes werden bevolkt door mannen in grauwe donkere kostuums. Bijna allemaal droegen ze petten of hoeden. Alleen op de zittribune ontwaarde je zo nu en dan een krijtstreepje. Vrouwen in het stadion waren zo wie zo taboe. Daar zat je dan ruim voor de wedstrijd tegen de reclame borden. Het warmlopen voor de wedstrijd gebeurde niet in het stadion maar op een aparte plek achter het doel aan de overkant. Alleen de mensen die aan de overzijde op de bovenste plaatsen stonden konden een glimp van het inspelen opvangen. Uit de speakers klonk vrijwel onafgebroken de mars Koning Voetbal en heel af en toe het wonderschone Zitterd Allein van Jo Erens.
De reclame boodschap van Samson bracht toen hoogstwaarschijnlijk al geld in de la. Supporters van beide partijen stonden broederlijk naast en door elkaar. Geen provocaties, geen rellen, geen agenten en of suppoosten. Toen was (sorry jongelui) voetbal nog echt leuk. Moge de beste winnen, luidde het devies. En na afloop gingen de mannen gezamenlijk naar het café. Echt veel herinneringen uit die tijd heb ik van horen zeggen. Verhalen die pap of mam later tegen mij vertelden. Dat ik toen al jankte na iedere nederlaag van Sittardia.
Ik was zes toen we naar de nieuwe Sittardse wijk, luisterend naar de naam Baandert vertrokken. Daar waar nu het industrieterrein in Overhoven ligt, lag toen boerenland. De koeien graasenden loom in de wei, tussen de hoogstammen door. Waren de appels rijp dan ging je op de pluk, vaak werd je verjaagd door een boze boer en zo nu en dan viel je in handen van een boerenknecht die je vervolgens trakteerde op een pak op je billen. Het kleine broeke menneke groeide langzaam op tot een knulletje van pakweg 10 jaar. Vanaf dan mocht je met vrienden alleen naar het stadion. Gevaar liep je immers niet. Auto's waren er niet of nauwelijks en pedofielen deden het toen nog met kuikentjes en lammetjes. Uit die tijd zijn me toch voor mij enkele legendarische namen bij gebleven. De plaatselijke helden en gebroeders Pietje en Chrisje Quix, Jan Wolfs, doelman Jo Peersman, Jo Plum, de gebroeders Brull en Wesolek. Ook enkele duels ben ik nooit vergeten. Sittardia slaagde er twee opeenvolgende seizoenen jaren niet in om Fortuna Vlaardingen te verslaan. In de goal bij de Vlaardingers stond een zekere Hooimans. Toeval of pech, beide keren moest die keeper eraf met een gebroken neus. Hij werd vervolgens in de kleedkamer opgelapt en keerde onder groot applaus van alles en iedereen met een door bloed doordrenkt shirt terug, om vervolgens de nul te houden. Voor mij een echte held. Nog steeds zie ik die bebloede groene trui voor me. 's Anderendaags wilde iedereen met partijtje plots keepen en Hooimans zijn.
Ook DHC was een graag geziene gast in die tijd. Als laatste jaars basisschool leerling was het gebruik van vieze woorden natuurlijk uit den boze, op straffe van vele regeltjes schrijven en thuis een watsj om de oren. In de goal bij de Delftenaren stond een keeper die luisterde naar de fenomenale naam Kutterink. Geweldig toch, en iedere jeugdige voetballer greep zijn kans om dat verboden woordje luid te roepen. "Kut" riep je dan en na een korte pauze volgde "Terink een keeper van DHC". Ook herinner ik me nog goed de komst van AGOVV, ja ja die club die afgelopen seizoen na lange tijd weer haar opwachting maakte in de GG-divisie. Pakweg 100 supporters uit Apeldoorn hadden zich de moeite getroost om hun favorieten te volgen naar het verre Sittard. Voor het eerst hoorde ik dat een supportersschare van de tegenpartij voor sfeer wist te zorgen. De gehele wedstrijd lang hoorde je "We hebben een A, we hebben een G , een O , een V een V", en dan luidkeels "AGOVV". Ondanks de nederlaag bleven ze achter hun spelers staan en dat maakte toen de nodige indruk op me.
Onlusten waren er vrijwel nooit. Enige opwinding ontstond als zo nu en dan enkele heethoofden na afloop van een duel de scheidsrechter stonden op te wachten na een nederlaag van de onzen, waarbij de scheids een kwalijke rol vervuld zou hebben. Twee agenten waren meestal voldoende om de rust te herstellen en de mensen huiswaarts te sturen. Een kantine was er niet. In een klein stalletje achter de hoofdtribune verkocht met bier, limonade, drop en chocolade. Cola was toen nog niet echt tot Nederland doorgedrongen. Als kind ging je bij de kraampje staan en vroeg je aan de volwassenen of je het flesje mocht terugbrengen. De meeste mannen gaven je vervolgens het lege flesje en jij incasseerde dan trots het statiegeld. Dat leverde je toch vaak een pakweg vijftig tot zestig cent op.






